Digitalisering moet zinvol zijn voor de burgers

  • 7 juni 2018

Interview met Steven Defoor, algemeen coördinator cultuur stad Mechelen

‘Digitalisering is een manier om bezoekers de cultuurbeleving van de 21ste eeuw aan te bieden. Digitalisering moet het hen makkelijker maken, ze moeten er iets extra bij krijgen’, dat zegt Steven Defoor, algemeen coördinator van het cultuurcentrum, de bibliotheek, H30 en de Mechelen Talentenfabriek.

Steven Defoor was tot voor kort cultuurbeleidscoördinator en directeur van het cultuurcentrum in Puurs. Nu is hij in Mechelen algemeen coördinator van het cultuurcentrum, de bibliotheek, de artistieke werkplaats voor jongeren H30 en de Mechelen Talentenfabriek die het artistieke talent in de stad opspoort en indien nodig een plek geeft.

Van een digitaal cultuurcentrum ...

In Puurs heeft u er met CC De Kollebloem voor gekozen om zoveel mogelijk digitaal te gaan. Wat hield dat in?

‘We zijn in 2012 met die digitale omslag van start gegaan. In eerste instantie ging het over onze communicatie. We hadden nauwelijks nog print, 95 procent was digitaal: de website, Facebook, digitale brochure en een app. We maakten intensief gebruik van google analytics voor onze communicatie en marketing. Daarnaast ontsloten we alle mogelijke producten en diensten digitaal: de ticketverkoop, inschrijvingen voor cursussen, de verkoop van boeken bij tentoonstellingen. Dit deden we samen met de hele vrijetijdsafdeling. Zo konden klanten ook inschrijven voor sport- of jeugdactiviteiten en zelfs voor de buitenschoolse kinderopvang. Het enige wat nog niet online kon, was de reservatie van lokalen. Het derde luik was de digitale ondersteuning van de interne werkprocessen.  Denk aan het gebouwenbeheer of het beheer van contracten. Waar vroeger die informatie een beetje overal verspreid zat, brachten we ze onder in een digitale flow. In het nieuwe cultuurcentrum dat Puurs aan het bouwen is, wordt de digitale transformatie verder doorgedreven. Er komt bijvoorbeeld een uitgebreid domoticasysteem. Als een burger online lokaal A boekt, zal zijn badge hem of haar toegang geven tot het gebouw en tot lokaal A, het licht en de verwarming worden automatisch gestuurd. Een nieuw gebouw biedt natuurlijk kansen. Mensen willen niet meer in een oude zetel naar het theater kijken, ze verwachten een totaalpakket dat de beleving versterkt. Terwijl ze wachten kan je filmpjes vertonen op een van de schermen in de zaal. Je kan via hun smartphone extra informatie aanreiken uit de bibliotheek zoals artikels over de voorstelling of de acteurs, boeken over het thema. Digitalisering is een manier om de cultuurbeleving van de 21ste eeuw te kunnen aanbieden.’

… naar een digitaal cultuurbeleid

Hoe ver staat Mechelen?

‘In een kleine gemeente die over wat financiële middelen beschikt, is het iets makkelijker dan in een centrumstad. De beslissingslijnen zijn korter, er zijn minder partijen betrokken in het verhaal. Mechelen staat waar vele gemeenten staan. Het standaard digitale aanbod is er: we hebben een digitale afspiegeling van de fysieke balie zodat mensen de cultuurproducten en -diensten online kunnen vinden, er is online ticketing, we zijn actief op Facebook. De komende jaren moeten we verdere stappen zetten en dan gaat het net als in Puurs over klantvriendelijkheid, communicatie, efficiëntie, over je positionering als cultuurinstelling. Het gaat over hoe je de klant – burgers en verenigingen – een maximale en waardevolle beleving kan bieden. Als je tegelijkertijd het hele proces daarachter kan vereenvoudigen, kan je ook efficiëntiewinsten boeken. Ik geloof niet in de gefragmenteerde digitalisering, het gaat over een totaalpakket.  Je kan misschien wel sterk inzetten op digitale communicatie, wat goed is voor de burger, maar als je proces daarachter nog ambachtelijk is, dan draait het vroeg of laat in de soep. Een voorstelling streamen in het woonzorgcentrum is niet zo moeilijk, dat is een kwestie van kabels en connecteren. Een app ontwikkelen is niet het probleem, maar je hebt er niet veel aan als die op zich staat.’

Sluit je niet een deel van de burgers, van je publiek uit door digitaal te gaan?

‘Digitaal hoeft niet per se te betekenen dat je geen brochure meer hebt. Misschien blijft die nog wel een tijdje bestaan. En als je ze laat vallen, moet je een gamma aan begeleidende maatregelen nemen. Mensen moeten bijvoorbeeld terechtkunnen op de computers in de bib of aan de balie van het CC waar ze onder begeleiding van een computercoach hun weg leren vinden. Je kunt digitale cafés organiseren over thema’s zoals kopen op het internet. Sommige doelgroepen vragen extra aandacht, maar als je doorzet lukt het wel. Het eerste jaar gebeurde maar twee procent van de inschrijvingen voor het seniorenfeest in Puurs digitaal, enkele jaren later zaten we aan de helft. Mensen praten erover met elkaar, over hoe makkelijk het wel is. Dat is de essentie: digitalisering moet zinvol zijn voor de burgers. Het moet het hen makkelijker maken, ze moeten er iets extra bij krijgen.’

En kansengroepen?

‘Hen bereiken vraagt doorgedreven inspanningen. Maar we moeten eerlijk zijn: ook vroeger was het zeer moeilijk om aanknoping te vinden bij kansengroepen. Het blijft gewoon zeer intensief, het digitale verandert dat niet.’

Hoe ver staat de lokale cultuursector in de digitale transformatie als u dat vergelijkt met de andere stadsdiensten?

‘Ik ben nog maar zes maanden aan de slag in Mechelen, ik kan dat nog niet goed inschatten. Momenteel wordt het vroegere Predikherenklooster verbouwd tot onze nieuwe bibliotheek. Uiteraard wordt daar het digitale verhaal in meegenomen. Maar we moeten ook nadenken over hoe we de bezoeker begeleiden als hij uit de bib komt. Wil hij winkelen, dan moeten we hem misschien de weg wijzen. Komt hij voorbij het museum, dan moet hij misschien een bericht op zijn smartphone krijgen over een nieuwe tentoonstelling. Natuurlijk zal je niet alles kunnen realiseren, maar het is belangrijk erover na te denken. En we zijn goed geplaatst om daar vanuit cultuur insteken voor te geven en te netwerken met de andere stadsdiensten. Dat is een langzaam proces. Ik hoor vaak dat bedrijven veel verder staan en dat het veel sneller gaat, maar mensen vergeten dat een stad veel complexer is dan om het even welke onderneming.’

Samenwerking in Mechelen en Vlaanderen

Hoe vindt cultuur aansluiting bij de digitale kennis van burgers en ondernemingen in de stad?

‘We hebben natuurlijk de Mechelen Talentenfabriek die een leegstaand pand in gebruik heeft genomen. Daar zit wat makerseconomie, maar er zijn ook jonge artiesten actief. De grens tussen kunst en makerseconomie is soms flinterdun. Kunstenaars zijn ook zelfstandigen. Daarom is het belangrijk dat we hen vanuit cultuur ook in contact brengen met bijvoorbeeld de stedelijke dienst economie en het Ondernemershuis, een vzw die starters een plek geeft. Een andere speler die over heel veel digitale knowhow beschikt is de Thomas More Hogeschool. De samenwerking is er al op sommige gebieden maar moet nog veel verder worden uitgediept. We moeten het niet allemaal zelf willen doen. Dat vraagt een andere mindset. In de cultuursector zijn we het bijvoorbeeld niet gewoon om met open data te werken. Iedereen zit op zijn eigen gegevens en cijfers. Jonge gasten, kleine bedrijfjes die daar iets mee willen doen, kunnen er nu niet bij. We zullen daar meer open in moeten worden en daar ook rekening mee houden als we nieuwe systemen aankopen. Want het verbinden en samenwerken levert echt wel een meerwaarde op en zorgt voor een nieuwe dynamiek in de stad. Daar hangt mee samen dat ook de schotten tussen de stedelijke diensten moeten verdwijnen. Het is niet meer van deze tijd dat die allemaal op zichzelf werken. Ook de muren met andere culturele spelers in de stad moeten worden gesloopt. In Mechelen hebben we negen professionele kunstenorganisaties. Waarom moet ’t Arsenaal een eigen ticketingsysteem hebben als wij er al één hebben? Waarom moeten wij een stuk van ’t Arsenaal inkopen als zij het zelf ook brengen? We moeten slim verbinden, met open systemen, met een open digitaal platform en vooral ook met een open geest.’

Niet alles zelf willen doen, wil ook zeggen dat er samenwerking en uitwisseling is tussen steden en gemeenten. Hoe ver staan we op dat vlak?

‘Nog niet zo heel ver. We zijn allemaal veel te veel bezig met de dagelijkse werking, er is te weinig tijd en ruimte voor reflectie en samenwerking.’

Wat verwacht u van de Vlaamse overheid?

‘Essentieel is dat we de kans blijven krijgen om te experimenteren, om te ontdekken. Experiment is belangrijk. Soms kan het resultaat ook naar andere maatschappelijke sectoren vertaald worden. Op het digitale vlak is er de ondersteuning van Cultuurconnect, maar op vele andere vlakken zijn die steun en bescherming weggevallen. De geoormerkte financiering is geschrapt. In Puurs heb ik nooit te klagen gehad, in Mechelen voorlopig evenmin maar zou zeker beter kunnen.  De ongerustheid met betrekking tot de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 en wat daarna komt, is vrij groot.’

Hoe zou de cultuursector zich moeten positioneren, op Vlaams maar ook op lokaal niveau?

‘De vraag hoe we ons relevant maken en onze relevantie bewijzen in een snel evoluerende  maatschappij is van een heel andere orde dan de bezorgdheid om goede theatervoorstellingen te brengen. Wat doen we nu als er naar ons belang voor de samenleving wordt gevraagd? We schermen met het aantal bezoekers, met de bezettingsgraad van onze zalen. Maar onze relevantie is natuurlijk vooral dat we mensen helpen, dat we nieuwe talenten vinden en helpen te ontwikkelen, dat we mensen verbinden, dat we onze kennis en infrastructuur ter beschikking stellen van de gemeenschap, dat we dynamiek brengen in de stad. Dat moeten we aan de beleidsmensen duidelijk maken. De middelen zijn schaars, maar er zijn nog middelen en wij moeten ervoor zorgen dat het bestuur een fair deel daarvan in cultuur investeert omdat dit belangrijk is voor de stad. Het zijn moeilijke tijden, ja, maar misschien moeten we het meer van een andere kant bekijken: het zijn ook uitdagende tijden.  Behoorlijk wat mensen in de cultuursector vragen zich af waarom ze anders moeten gaan werken, waarom ze het digitale moeten omarmen: ze hebben toch al twintig jaar volle zalen. De vraag is of ze het over vijf, tien, twintig jaar nog zo goed zullen doen. De maatschappij verandert razendsnel. Zullen jongeren nog naar het theater gaan als ze niet meer en op een interactieve manier betrokken worden, als we niet bij hun leefwereld aansluiten? Als we daar niet op anticiperen, lopen we de kans de weg op te gaan van de videotheken.’